"Ik voel weer die oude vrees," fluistert Claesgen, de weduwe van de 17e eeuwse componist Sweelinck, die tijdens een voorstelling van Capella Brabant in Den Bosch ten tonele wordt gevoerd. "Wat als hij me niet nodig heeft?" Rondom haar lange monoloog klinkt muziek van de oude meester. De muziek is mooi. De monoloog vooral verwarrend.

Nederlands Dagblad, Wilfred van de Poll, 19 december 2008.
Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621) wordt geroemd als een van de grootste componisten die Nederland heeft voortgebracht. Toch weten we maar weinig van zijn privé-leven. Zijn muziek kennen we 'fantasieën en toccata's voor klavier, chansons, madrigalen en canons voor koor, zo'n 320 werken in totaal: maar wat weten we eigenlijk van de man zelf?

Die vraag inspireerde Marc Versteeg, artistiek leider en dirigent van het in 2007 opgerichte Capella Brabant, tot het initiëren van de productie 'Dit zijn mijn woorden niet', die op 22 november in Den Bosch in première ging. In dit 'concerttheater' wordt niet alleen de muziek, maar ook het karakter en dagelijks leven van de componist voor het voetlicht gebracht. Dat is althans de bedoeling. Actrice Nelly Frijda leest een fictieve monoloog van Sweelincks vrouw voor, geschreven door Manon Uphoff. De monoloog wordt afgewisseld met koor- en klavecimbelmuziek, verzorgd door Capella Brabant. Al tijdens zijn leven genoot Sweelinck een grote reputatie. Hij trok leerlingen aan van ver over de
grenzen van de Republiek, die zich aan het ontworstelen was van de Spaanse overheersing. De laatste jaren van Sweelincks leven vielen samen met het Twaalfjarig bestand (1609-1621). Dit was een tijd van vrede en voorspoed, ook voor Sweelinck, die vooral in deze periode veel leerlingen had. Hij werd geboren in Deventer maar verhuisde al snel naar Amsterdam, waar zijn vader organist werd in de Oude Kerk. Na diens dood in circa 1580 erfde hij de post van zijn vader en behield die tot aan zijn dood. Sweelinck, die in 1590 trouwde en zes kinderen kreeg, was een weinig avontuurlijke man. Behalve één keer naar Antwerpen schijnt hij nooit een reis naar het buitenland te hebben ondernomen, hoewel sommige historici vermoeden dat hij een tijdje bij de componist Zarlino in Venetië heeft gestudeerd, maar waarschijnlijk is dat niet.

Teleurstellend
Hoewel de voormalige Jacobskerk in het centrum van Den Bosch stampvol met mensen zit, lijkt ze nog steeds leeg. Een kolossaal gebouw is het, dat in 2007 werd omgedoopt tot het Jheronimus Bosch Art Center. De muren zijn behangen met schilderijen van Bosch (1450-1516). Ook in de lucht, onder de hoge koepel, bungelen groteske en gedrochtelijke wezens aan nauwelijks waarneembare draadjes, kennelijk om je het gevoel te geven midden in een schilderij van Bosch te zijn beland. Een verontrustend gevoel, gezien zijn tamelijk morbide doeken. Dan komen de koorleden het podium op, een voor een, gekleed in sobere zwarte gewaden. 'Vanitas vanitatum, omnia vanitas' zingen ze. Alles is ijdelheid. Sweelincks koormuziek klinkt als een mengeling van renaissance en barok. Hoewel het koor aan het begin wat aarzelend zingt, en de inzetten niet altijd gelijk zijn, gaat het gaandeweg meer als een geheel klinken. Klavecimbelmuziek is er ook. Onder andere de chromatische fantasie, waarschijnlijk Sweelincks bekendste werk voor klavier. Dit stuk klinkt al echt barok, met zijn fugatische polyfonie en dramatische chromatiek. Niet voor niets wordt Sweelinck als een wegbereider van Bach beschouwd. Het is prachtige muziek, die met trefzekere hand en inlevingsvermogen ten gehore wordt gebracht.

Nelly Frijda gaat zitten en begint aan haar monoloog als Claesgen Dircxdochter Puyner, weduwe van de overleden Sweelinck. Ze kent de tekst niet uit haar hoofd, maar leest voor. Haar stem is warm en helder. Nieuwsgierig luister je er als bezoeker naar, in de hoop te weten te komen wat die Sweelinck voor iemand was. Niet de musicus, maar de mens daarachter. Een verwachting die niet wordt waargemaakt. In de monoloog van Claesgen, hoe mooi die ook is,
wordt niets gezegd. Er wordt geen enkele informatie verschaft, behalve dan dat zijn vrouw niet weet wie Sweelinck nu eigenlijk is. Zij ook al niet!, denk je teleurgesteld.

Misschien is dat precies wat Uphoff wil zeggen: over deze man valt niets te zeggen. En dat zegt alles over hem. Gesloten was hij volgens Uphoff, stuurs, ongenaakbaar. Iemand die alleen in zijn muziek leeft. Het kan natuurlijk, maar het hoeft niet. Wie weet was meneer Sweelinck wel een ontzettend lieve man, goedhartig, sensitief en humoristisch. Of sadistisch, wreed, heerszuchtig. De bronnen zwijgen, en uit een stilte kun je van alles afleiden. Ruim baan dus aan de literaire verbeelding! Over literatuur gesproken; kon Uphoff echt niets anders bedenken dan de clichématige karikatuur van 'een musicus die alleen maar in de muziek kan leven'?

"Ze vraagt zich voortdurend af of haar man haar werkelijk nodig had" zegt Frijda over Claesgen in een interview met het Brabants Dagblad. "Een universeel thema waar vrouwen van alle tijden zich in kunnen herkennen." Dat is raak verwoord. Inderdaad, Uphoffs tekst gaat niet over Sweelinck, het gaat over de universele onzekerheid van de vrouw. Ook een mooi onderwerp, maar wel een andere dan je zou verwachten.

Zielig hoertje
Claesgens klaagzang is overigens poëtisch genoeg, met veel sprekende details en momenten van verstilling. Het probleem is alleen de totale afwezigheid van een plot, een verhaal, een ontwikkeling. Niets van dat alles. Slechts een jeremiërende Claesgen, op haar kamertje in het huis waar haar man nog doorheen lijkt te spoken. Uphoff vond het zelf kennelijk ook saai worden, want na een tijdje blijkt plotseling iemand anders aan het woord te zijn, een hoertje uit de buurt. De overgang is abrupt en onlogisch. Er lopen nu opeens twee monologen door elkaar heen, maar de bezoeker mag zelf uitvinden wanneer wie aan het woord is. Is Frijda's stem aan het mijmeren over, "zijn rusteloze handen", dan zal het Claesgen wel zijn. Rollen er rauwe en platte woorden over Frijda's lippen, dan zullen die wel van het hoertje afkomstig zijn. Vermoed je.

De raadselachtige entree van het hoertje doet allerlei vragen rijzen. Had Sweelinck misschien een dubbelleven? Blijkt het zijn minnares te zijn? Of zijn kind? Wat heeft het hoertje over Sweelinck te zeggen? Het antwoord luidt: niets. Ze overpeinst haar ongelukkige jeugd, dat is alles, en gooit quasi filosofische gedachten het publiek in. ,,Ik besta al wel. Of niet."  De muziek tijdens deze voorstelling is mooi, maar de monoloog is teleurstellend en vooral verwarrend. Waarom worden de twee monologen niet ook door twee acteurs uitgesproken? Waarom Überhaupt deze tweede monoloog? De bedoeling ervan blijft volstrekt duister. Wat voegt het toe, behalve onbegrip? Wilde Uphoff de welgestelde Claesgen contrasteren met het zielige hoertje, en zo laten zien dat er ook in de Gouden Eeuw schrijnende sociale kloven bestonden? Een lovend motief, zeker, maar wat heeft dat met Sweelinck van doen? En kan het iets minder cliché?