Een hoorbare blik op de volgende wereld. De titel van het programma ‘Kruiswoorden’ verwijst naar de woorden die Jezus sprak toen hij aan het kruis hing en stierf. Zijn verrijzenis vieren we met Pasen. De teksten van het gekozen repertoire voor dit concert geven aanleiding tot een veel ruimere interpretatie van de oorspronkelijke betekenis. De zangteksten bevatten beschouwende woorden over lijden en sterven. En de verwachting van het Paradijs wordt maar wat graag gekoesterd.

Muziek voor de Passietijd wordt doorgaans geassocieerd met composities uit de Lutherse traditie van Johann Sebastian Bach en contemporaine gelijkgestemden. In de schaduw van deze werken ontstond ook in de negentiende eeuw een rijk gevarieerd repertoire van passiemuziek voor de katholieke liturgie. De exponenten Rheinberger en Bruckner gaven met hun composities op geheel eigen wijze blijk van hun diepreligieuze gevoelens. Uit hun rooms-katholieke muziek kringelt de wierook als het ware omhoog. De innige en romantische muziekstukken van Bruckner en Rheinberger waren al aantrekkelijk in de jaren dat ze ontstonden.

Het harmonium werd in de tweede helft van de negentiende eeuw ongekend populair. Het instrument wordt heden ten dage steeds meer herontdekt en gezien als een volwaardig instrument. Begeleiding van romantische koorwerken door een harmonium zijn historisch vanzelfsprekend en volkomen terecht. Maar ook begeleiding van eerdere stijlperioden is vanuit het perspectief van de romantiek verantwoord. De bezetting van basso continuo bij de werken van de familie Bach wordt in het programma ‘Kruiswoorden’ – waarin de componisten Rheinberger en Bruckner een aanzienlijk aandeel hebben – eveneens gespeeld op harmonium. In de Romantiek was deze instrumentale begeleiding van motetten uit de barok gebruikelijk. In zekere zin toont deze instrumentkeuze dan een authentieke benadering van de uitvoeringspraktijk van de negentiende eeuw.

 Het motet Unser Leben ist ein Schatten is geschreven door Johann Bach uit Erfurt, een oudoom van Johann Sebastian Bach. Johann Bach is organist, hij trouwt de oudste dochter van zijn leraar. Zij overlijdt niet veel later. De kinderen uit zijn tweede huwelijk gaan allemaal een carrière in de muziek tegemoet. Zo beheerst deze familie Bach gedurende honderd jaar het muzikale leven in Erfurt. Het werk van Johann Bach wordt overschaduwd door ontberingen die voortkwamen uit de Dertigjarige Oorlog. De latere ooms en tantes bleken gelukkig groot respect te koesteren voor hun oudste familielid, de werken van Johann werden opgenomen in het zogenaamde ‘Altbachischen Archiv’. Opmerkelijk in dit openingsmotet van het concert zijn de mistflarden met tekstherhalingen die ‘vanuit de verte’ worden gezongen door een echo-koor. Deze lijken het tranendal van een afscheid, de treurnis rondom de dood en de troost door vertrouwen in een nieuw begin vanuit het hiernamaals te bevestigen.

Het vijfstemmige motet Sei getreu bis in den Tod van Johann Christoph Bach gunt ons een blik op het leven na de dood. De tekst is genomen uit de Openbaring van Johannes en toont een rotsvast vertrouwen in een nieuw leven. Het motet eindigt optimistisch met de tekst “Jesus läßt dich nicht im Tod”. Opmerkelijk zijn de melismen op de woorden trouw, leven en dood [Getreu, Leben, Tod]. Toonslierten op deze sleutelwoorden dwalen door alle koorstemmen heen en plaatst het motto op de voorgrond. Bezwerend is de herhaling met coupletten, hiermee lijkt het vertrouwen in nieuw leven extra te worden bekrachtigd.

De ontstaansgeschiedenis van het vijfstemmige motet Jesu, meine Freude is buitengewoon ingewikkeld. De symmetrische opbouw van de uit elf delen bestaande compositie is duidelijk het resultaat van een latere bewerking en uitbreiding die Johann Sebastian Bach vermoedelijk maakte in Leipzig. Een eerste kortere versie zou al in Weimar ontstaan kunnen zijn. Het stuk valt op door de afwisseling van enerzijds strofen uit het bekende lied “Jesu, meine Freude” en anderzijds verzen uit het achtste hoofdstuk van de Brief aan de Romeinen. Eenvoudige, vrome koraaldelen alterneren met kunstzinnig uitgewerkte zettingen van de verzen. Centraal staat een vijfstemmige fuga op de woorden “Ihr seid nicht fleischlich sondern geistlich” [Gij zijt niet vleselijk maar geestelijk].

Josef Gabriel Rheinberger schreef zijn “kleine” Stabat Mater in g mineur in augustus 1884, twintig jaar na zijn gelijknamige grotere werk. In tegenstelling tot dit werk lijkt de versie uit 1884 een puur liturgisch en geen primair concertant werk. Vooral in vergelijking met zijn eerdere Stabat Mater valt de sterke tendens op naar verinnerlijking. Kenmerkend is de terughoudendheid van moderne harmonie. Het wonderschone werk is geschreven in een nagenoeg tijdloze sacrale stijl die de latere kerkmuziek van Rheinberger is gaan karakteriseren. De aanleiding tot het schrijven van dit Stabat Mater is zeer persoonlijk. Rheinberger kon vanwege gezondheidsproblemen zijn rechterhand vele jaren lang nauwelijks meer gebruiken, schrijven en componeren werden ernstig verstoord. Een korte kuur en therapie in Wilbad Kreuth bleek zeer succesvol. Rheinberger dichtte de genezing toe aan de Moeder Gods en vereerde de Maagd Maria met het schrijven van zijn tweede Stabat Mater.

Anton Bruckner componeerde het a capella motet Os Justi in 1879 en droeg het stuk op aan Ignaz Traumihler, de muziekdirecteur van Sankt-Florian. In dit gezang, dat in de mis tussen het epistel en de evangelielezing klinkt, legt hij zichzelf verregaande beperkingen op. De partituur bevat geen enkel kruis- of molteken en geen ingewikkelde samenklanken. Desondanks bereikt Bruckner een grote expressieve kracht, zowel in de homofone passages als in het beweeglijke middendeel. De tekst is afkomstig uit Psalm 37.