Componist, etnomusicoloog en muziekpedagoog Zoltán Kodály looft muziek in leven en werk. Met orgel, met de menselijke stem en dat alles in volle overtuiging. De programmatitel ‘Vox Humana’ verwijst dan ook niet alleen naar het orgelregister als ‘imitatie’ van de menselijke stem. Kodály was voornamelijk een vocaal componist, bij wie melodie altijd de volle aandacht kreeg. Zelf verklaarde hij vlak voor zijn dood: “Onze eeuw van mechanisatie leidt tot een weg waar de mens zelf tot een machine verwordt; alleen de geest van het zingen kan ons dit lot besparen”. Muziek en tekst zijn dan bij deze componist ook “uit één stuk”, ze ademen samen.

Koormuziek werd Kodály’s meest omvattende oeuvre. Nagenoeg geen andere componist uit de 20ste eeuw toont een grotere kennis van, of een grotere toewijding aan dit genre. Voor Kodály zijn de schoonheid van de menselijke stem en de bekoring van het zingen onuitputtelijk. Het gebruik van barokke woordschilderingen, de afwisseling van homofone en polyfone passages en de verbinding van lineaire en verticale schrijfwijzen tonen zijn rijke techniek. Dit is niet louter een schoolse vasthoudendheid, maar juist dienstbaarheid aan de expressie. Kodály was ervan overtuigd dat ieder mens muzikaal is. Als pedagoog ontwikkelde hij – op grond van materiaal van anderen – een methode voor muziekonderwijs aan kinderen en amateurmusici. Vox Humana toont tevens de opinie van Kodály namelijk dat men kinderen op school naast taal ook meteen muziek moet bijbrengen. Hoe hoger de klas, hoe meer uren er aan muziek dienen te worden besteed! Eigenlijk was Kodály met pensioen; na de Tweede Wereldoorlog reisde hij naar Engeland, Frankrijk, Amerika en de USSR om zijn eigen composities te dirigeren. Niettemin voltooide hij een jaar voor zijn dood, in 1966, alsnog een meesterwerk: Laudes Organi voor koor en orgel. Deze lofzang op het orgel, de menselijke stem en muziek staat centraal in het programma Vox Humana. In de composities van de Nederlandse componist en organist Hendrik Andriessen domineren twee elementen die zijn grote voorliefde hadden: het orgel en het koor. Als organist zette hij de grote Franse tradities voort, gefascineerd als hij was door de rijke symfonische kleuren van de Franse orgelliteratuur.

Het Thema met Variaties schreef Andriessen in 1949 als een door-gecomponeerd variatiewerk. De compositie, geschreven toen Andriessen organist was aan de kathedraal in Utrecht, opent met een indringend en forte gespeeld ‘Largo e maestoso’. Aansluitend klinkt het thema ‘Cantando quasi allegretto’. Hierop volgen variaties in de kenmerkende stijl van Andriessen. Kleurrijk, melodisch verwant aan César Franck, maar prangend qua harmonie vanwege het gebruik van overmatige tertsen in de akkoorden. Aan het slot klinkt het thema nogmaals, nu forte, gevolgd door het ‘Largo e maestoso’ van het begin.

De tekstopbouw van het koorwerk Pater Noster volgt Andriessen getrouw. Het begeleidende orgel legt de verbindingen met korte tussenspelen tussen de afzonderlijke gebedszinnen.

Zoltán Kodály schreef geen werken voor orgelsolo of het moet het vandaag klinkende Præludium zijn. Een preludium of prelude gaat ergens aan vooraf. Dat geldt eigenlijk ook voor deze compositie uit 1931. Het betreft een voorspel op een werk voor koor en orgel op de Goede Vrijdag-hymne “Pange lingua”. In het voorwoord schreef de componist dat het uitvoerige Præludium ook als zelfstandig orgelwerk gespeeld kan worden. Het werk kenmerkt zich door West-Europese compositietechnieken (fuga, canon) en Oost-Europese melodiek.

Het motet Unser Leben ist ein Schatten is geschreven door Johann Bach uit Erfurt, een oudoom van Johann Sebastian Bach. Johann Bach was organist. Hij trouwde de oudste dochter van zijn leraar, zij overleed niet veel later. De kinderen uit zijn tweede huwelijk gingen allemaal een carrière in de muziek tegemoet. Zo beheerste deze familie Bach gedurende honderd jaar het muzikale leven in Erfurt. Het werk van Johann Bach wordt overschaduwd door ontberingen die voortkwamen uit de Dertigjarige Oorlog. De latere ooms en tantes bleken gelukkig groot respect te koesteren voor hun oudste familielid, de werken van Johann werden opgenomen in het zogenaamde ‘Altbachischen Archiv’. Opmerkelijk in dit openingsmotet van het concert zijn de mistflarden met tekstherhalingen die ‘vanuit de verte’ worden gezongen door een echo-koor. Deze lijken het tranendal van een afscheid, de treurnis rondom de dood en de troost door vertrouwen in een nieuw begin vanuit het hiernamaals te bevestigen.

Aan het slot van het motet Unser Leben ist ein Schatten wordt het bekende koraal “Ach wie nichtig, ach wie flüchtig” gezongen. Deze melodie is door vele componisten gebruikt als basis voor een reeks variaties als een zogenaamde partita. De Lüneburgse componist Georg Böhm schreef zeven variaties over het koraal, resulterend in een achtdelige partita waarin compositietechnieken voor orgel en klavecimbel in elkaar overlopen en de diverse klankkleuren van het orgel prachtig voor het voetlicht worden gebracht. Leuk detail is dat ook zijn leerling Johann Sebastian Bach een partita over dit werk schreef. Je doet overigens Georg Böhm als componist tekort als je hem louter beschouwt als voorloper van Johann Sebastian Bach. Met de juiste agogiek, klankkleuren en het toevoegen van versieringen (improvisatorisch, zoals als dat in de tijd van Böhm de gewoonste zaak van de wereld was) krijgt zijn muziek een zeggingskracht die volstrekt niet onderdoet voor zijn befaamde leerling Johann Sebastian Bach.

Johann Hermann Schein (1586-1630) is – naast de componisten Schütz en Scheidt – bepalend voor de Duitse zeventiende-eeuwse muziek. Schein bleek al snel zowel een begaafde student als een muzikaal talent. Na een rechten- en letterkundestudie werd hij muziekleraar en later kapelmeester. Scheins leven werd helaas geteisterd door ziekte en dood: van zijn in totaal tien kinderen overleefden er maar twee en zijn eerste vrouw overleed op jonge leeftijd. Ook zijn eigen gezondheid liet veel te wensen over, hij zou al op zijn 44e sterven. Bijna half zo oud als zijn goede vriend Schütz. In zijn vrij korte leven heeft Schein echter wel indrukwekkende muziek nagelaten. De meeste werken zijn te vinden in bundels. De vocale werken in Opella nova (1618), Israels Brünnlein (1623) en het latere Cantional (1645). Samen met het instrumentale Banchetto musicale (1617) vormen deze composities hoogtepunten van de Duitse zeventiende eeuw. Het programma brengt twee prachtige vijfstemmige motetten van Johann Hermann Schein: Da Jacob vollendet hatte en Unser Leben währet siebnzig Jahr. De werken stammen uit de bundel Israels Brünnlein en zijn sterk beïnvloed door de ‘nieuwe’ Italiaanse stijl die rond 1600 zijn intrede deed. De muziek ‘illustreert’ de tekst, de composities werden daarom ook wel ‘madrigaalmotetten’ genoemd. De barokke toonschilderingen – oftewel madrigalismen genoemd – volgen de betekenis van de tekstfragmenten nauwgezet.

In 1965 nodigde het Amerikaans Gilde van Organisten Kodály uit een werk te componeren. Kodály was in het bezit van een Latijnse tekst die hij al eerder wilde toonzetten voor orgel en koor. De uitnodiging van het gilde kwam hem dus goed van pas. Op het einde van het jaar begon hij te schrijven gedurende een verblijf in Pécs. De verheven tekst dateert uit de 12de eeuw, afkomstig uit een Zwitsers klooster in Engelberg, en is een loflied op het orgel. De rondo-achtige fantasia, ingebed in een aantal variaties, zou Kodály’s laatst voltooide compositie worden: een lofzang op het orgel, koning der instrumenten, maar tevens ook op Guido van Arezzo, de geestelijke vader van het solmisatie-systeem. Zoals veel van Kodály’s koorcomposities is er ook hier sprake van een versmelting van Gregoriaans, polyfonie volgens Bach en romantische harmonieën met een parlando-stijl van Hongaarse volksmelodieën. De première vond plaats in 1966 in Atlanta bij de conferentie van het Amerikaans Gilde van Organisten.